Hoofdnavigatie
- Home
- Wie is Erik Gerritsen
- Slimmer werken
- Best practices
- Documenten
- Blogs van Erik
- Gast Blogs
- Nieuwsbrief
- Links
- Contact
Deze blog over de week van 17 november schrijf ik al op donderdag 20 november omdat ik vrijdag 21 november voor anderhalve week vertrek voor een studiereis naar Australië. In verband met die studiereis sla ik volgende week een keertje een blog over. De volgende Blog zal verschijnen in de week van 8 december. In dit blog zal ik verslag doen van mijn studiereis.
In deze blog wil ik graag terugkomen op een mijns inziens nogal fundamentele discussie die ik eerder in blog 11 aanzwengelde. Ik stelde daar de vraag hoe het toch komt dat het negatieve mensbeeld zo dominant is in de bestuurskunde en de veranderkunde. Het negatieve mensbeeld van de eigen belang nastrevende mens. Een mensbeeld waarvoor geen enkel overtuigend wetenschappelijk bewijs te vinden is. Een mensbeeld dat als niet ter discussie staande a priori veronderstelling al zo lang ons denken overheerst dat sprake lijkt van een zichzelf waarmakende veronderstelling. We zijn ons zo gaan gedragen zoals we van elkaar verwachten dat we ons zullen gedragen. En volgens de aanhangers van het negatieve mensbeeld vormt dat het empirische bewijs dat ze gelijk hebben.
We gedragen ons als die apen uit een bekend experiment. Vier apen in een kooi met hoog in een boom een heerlijke tros bananen. Elke keer als een hongerige aap naar die tros wil klimmen wordt hij door een bewaker met een koude harde waterstraal uit de boom gespoten. Na een tijd geven de vier apen hun pogingen op en nemen ze genoegen met het veel minder lekkere voedsel dat ze als alternatief wordt aangeboden. Vervolgens wordt één aap vervangen door een nieuwe aap. Zodra die nieuwe aap honger krijgt wil hij naar de tros bananen klimmen, maar de drie andere apen houden hem met het nodige fysieke geweld tegen. De nieuwe aap snapt niet waarom maar hij houdt het voor gezien naar nog een aantal pogingen. De apen worden vervolgens één voor één vervangen en het ritueel herhaalt zich. Het einde van het liedje is dat vier nieuwe apen die nooit uit de boom zijn gespoten toch niet meer naar de heerlijke bananen durven te klimmen en genoegen nemen met minder lekker voedsel.
Het negatieve mensbeeld is waarschijnlijk al zo oud als de mensheid zelf en uitgangspunt van vele religies. Maar met de opkomst van de verlichting, het modernisme en de positivistische wetenschap lijkt het erop dat het negatieve mensbeeld zich met extra spijkers is ons gedachtegoed heeft vastgenageld. De grote boosdoener in de sociale wetenschappen is daarbij de economische wetenschap dat de eigenbelang nastrevende mens tot de kern van haar denken heeft gemaakt. Andere sociale wetenschappen hebben dit denken min of meer kritiekloos overgenomen, althans in de dominante stromingen. Natuurlijk zijn er sociale wetenschappers die het negatieve mensbeeld ter discussie stellen. Maar dit blijft een marginaal verschijnsel.
Blijkbaar zijn er “meta psychologische natuurkrachten” in het spel die er toe leiden dat de mens zichzelf het meest comfortabel voelt bij een negatief mensbeeld. Is het een psychologische kwestie van het zekere voor het onzekere nemen? De weg van de minste weerstand? We kennen allemaal de speltheorieën waarmee de nodige Nobelprijzen zijn gewonnen. Maar wat mij altijd heeft verwonderd is dat al die speltheorieën één cruciaal feit over het hoofd lijken te zien. Namelijk het feit dat betrokken actoren in de echte werkelijkheid met elkaar kunnen communiceren op meta niveau. In al die speltheorieën is altijd sprake van actoren die niet met elkaar mogen praten. In de echte werkelijkheid is het mogelijk om elkaar voor dat het spel en ook tijdens het spel bewust te maken van de negatieve effecten van zogenaamd rationeel gedrag door er over te praten. Natuurlijk komt het dan uiteindelijk nog steeds aan op de moed van actoren om als eerste op basis van vertrouwen in plaats van wantrouwen te acteren. Maar als dat gebeurt weet de andere actor ook dat misbruik maken van dat wantrouwen een cyclus in gang zal zetten die uiteindelijk voor alle partijen tot het slechtste resultaat zal leiden. Toegegeven, we gedragen ons in de echte werkelijkheid vaak conform de voorspellingen van speltheoretici, met alle negatieve gevolgen van dien. Maar komt dan omdat we inderdaad eigenbelang nastrevende mensen zijn? Of komt dat omdat we te weinig met elkaar communiceren over de effecten van op wantrouwen gebaseerde sociale interactie?
Hoe dan ook, de default optie lijkt er één te zijn van niet communiceren en uitgaan van wantrouwen. Dat zit blijkbaar heel diep in onze natuur. Je ziet het ook in de veranderkunde als het gaat om de focus op het overwinnen van veranderingsweerstand. De veronderstelling dat mensen eigenlijk niet willen veranderen omdat ze een psychologische basisbehoefte aan zekerheid hebben. En ook hier moeten we constateren dat defensieve mechanismen ons gedrag overheersen. En dat speelt al die veranderkundigen weer in de kaart die uitgaan van een negatief mensbeeld en de idee dat mensen alleen via extrinsieke prikkels gedwongen kunnen worden tot gewenst gedrag.
Al schrijvend bekruipt mij het gevoel dat dit wellicht wel de meest warrige blog is die ik tot nu toe geschreven heb. En ik doe natuurlijk al die wetenschappers tekort die veel eloquenter dan ik dat ooit zal kunnen deze thematiek al aan de orde hebben gesteld. Het inzicht dat we onszelf met het uitgangspunt van een negatief mensbeeld zelf in een geestelijke gevangenis hebben opgesloten is niet nieuw. De vraag is vervolgens hoe we ons zelf uit deze geestelijke gevangenis kunnen bevrijden. Een eerste stap is natuurlijk dat veel meer mensen zich bewust moeten worden van deze geestelijke gevangenis. Bewustwording is de eerste stap naar bevrijding. Een tweede stap is dat stapje voor stapje wordt gebouwd aan vergroting van onderling vertrouwen. Dat zijn geen makkelijke stappen. De ketenen van het negatieve mensbeeld zijn zo zwaar dat ze alleen met collectieve inspanningen afgeworpen kunnen worden.
Meer en meer kom ik tot de conclusie dat het organiseren van leerprocessen de sleutel is die deze grote krachtsinspanning mogelijk kan maken. Via collectieve leerprocessen is het mogelijk het slechte systeem waarin goede mensen vaak disfunctioneel gedrag vertronen van ons af te werpen. Maar dat is ook weer makkelijker gezegd dan gedaan. Want niet leren is de default optie van sociale interacties. Juist omdat het negatieve mensbeeld zo overheersend is in ons gedrag. Vermaak en de Caluwé stellen dat wanneer sprake is van een strijd tussen blauw/geel en groen/wit blauw/geel altijd wint. Dat lijkt een niet geheel onrealistische stelling maar mijns inziens tegelijkertijd onacceptabel. Tegelijkertijd is het naïef om te hopen dat leerprocessen kunnen ontstaan in een machtsvrije ruimte.
Wellicht zien Vermaak en de Caluwé één route over het hoofd. De route waarin blauw/gele/machtsstrategieën positief ingezet worden om groen/witte leerprocessen tot stand te brengen. Ergens zullen actoren met macht dan nog steeds over hun eigen schaduw heen moeten springen. Maar dan ligt er wel een intrinsieke beloning in het verschiet. Daadwerkelijk verschil maken. En als die macht dan ook nog eens wordt ingezet in een democratisch gecontroleerde context dan hoeven we ons ook geen zorgen te maken over misbruik van die macht.
In normatieve zin zou mijns inziens het beschikken over macht dan de morele plicht met zich meebrengen om die macht in te zetten ten behoeve van het bevorderen van collectieve leerprocessen. In aanvulling daarop zou ik de volgende morele imperatief voor het nemen van regieverantwoordelijkheid willen formuleren: “In een situatie waarin domeinbelangen en fixaties overheersen en geen van de betrokken actoren het initiatief neemt om te komen tot gemeenschappelijke probleem oplossing heeft elke actor de morele plicht maar ook het morele recht om het initiatief te nemen en hebben vervolgens alle andere actoren de morele plicht om daaraan mee te werken”.
Tot slot, mijn nederige excuses voor een dit keer zoekend en tastend en vooral behoorlijk warrig blog. Ik ben er duidelijk nog niet uit, maar wilde het toch maar eens een keertje hardop nadenkend opschrijven. Hopelijk wordt het beeld scherper in het verdere proces van mijn promotieonderzoek. Maar ik vermoed dat ik er hoogstens in het slothoofdstuk enkele gedachten over op papier zal stellen omdat een meer fundamentele verhandeling over deze problematiek te hoog gegrepen is voor mijn praktijkpromotie.
Erik Gerritsen
egerritsen@bda.amsterdam.nl