Hoofdnavigatie
- Home
- Wie is Erik Gerritsen
- Slimmer werken
- Best practices
- Documenten
- Blogs van Erik
- Gast Blogs
- Nieuwsbrief
- Links
- Contact
Algemeen bekend is het fenomeen van wat wordt genoemd “tacit knowlegde”. We weten veel meer dan we kunnen vertellen. Expliciete kennis maakt maar 20% uit van de bruikbare kennis. Impliciete kennis vooral bestaande uit intuïtie en ervaringskennis vormt 80% van de waardevolle kennis. We weten ook dat het zeer moeilijk zo niet vrijwel onmogelijk is om die impliciete kennis over te dragen langs schriftelijke en mondelinge weg. Het is dan ook op zijn zachtst gezegd verbazingwekkend dat aan de instellingen van Hoger en Wetenschappelijk onderwijs vooral les wordt gegeven met behulp van schriftelijk materiaal en voornamelijk in de vorm het (werk)colleges begeleid door docenten die zelf nog nooit met de voeten in de praktijk hebben gestaan (uitzonderingen daargelaten). Dat betekent dus dat vrijwel alleen maar energie wordt gestoken in het overdragen van 20% van de in totaal relevante kennis. Je kunt natuurlijk van mening zijn dat ervaringskennis wel komt na de studie, maar mij lijkt dat niet erg productief en een grote verspilling van belastinggeld en tijd van studenten.
Ter voorkoming van misverstanden, de overdracht van de 20% expliciete kennis is net zo belangrijk als de overdracht van de 80% impliciete kennis. Zonder die expliciete kennis zou het opdoen van ervaringskennis wel een heel dure, tijdrovende en soms ook pijnlijke ervaring kunnen zijn. Een simpel voorbeeld: de expliciete kennis dat kokend water stevige brandwonden veroorzaakt, voorkomt een hoop onnodige pijnlijke ervaringen. Je zou kunnen zeggen dat de overdracht van expliciete kennis een belangrijke voorwaarde is voor het effectief aanleren van impliciete kennis. Maar die impliciete kennis leer je alleen in de praktijk, al doende lerend. Door te oefenen wordt je steeds beter. “Practice makes perfect”. Alleen door te doen kun je succesvol worden.
Natuurlijk is er in sommige curricula ruimte voor stages en praktijkonderzoek. Meer op Hogescholen dan op de Universiteiten overigens waar vaak sprake lijkt van een merkwaardig dédain voor de praktijk. Maar over het geheel genomen houdt de aandacht voor het opdoen van echte praktijkervaring niet over. Ook het geven van gastcolleges door mensen uit de praktijk en het werken met spelsimulaties komt slechts sporadisch voor. Naast volstrekt onbegrip voor dit pleidooi voor meer aandacht voor de echte praktijk is de meest gehoorde reactie dat er geen tijd en geld voor zou zijn. Curricula zouden al overvol zijn en studenten en docenten overbelast.
Voor dit laatste probleem is de oplossing simpel. Gewoon even boven het probleem gaan hangen en er net even anders tegen aan kijken. Maak ruimte in de curricula voor de combinatie tussen theorie en praktijk. Zoek als opleiding in je omgeving organisaties waarmee je meerjarige afspraken maakt over het leveren van praktische leeromgevingen. Biedt deze organisaties meerjarige zekerheid over een jaarlijkse stroom van eerste, tweede, derde en vierde jaarsstudenten voor steeds complexere opdrachten in ruil voor medebegeleiding, het leveren van gastdocenten en een passende stagevergoeding. Bedrijven en overheden krijgen zo de beschikking over jonge mensen met een frisse blik, kunnen werken aan hun arbeidsmarktimago en besparen op wervingskosten omdat ze de beste studenten na hun studie een baan kunnen aanbieden. Docenten krijgen weer wat lucht omdat een deel van de opleidings- en begeleidingstaak wordt overgenomen door partnerorganisaties. En als ze slim zijn kunnen ze deze bedrijven en overheden als levend laboratorium gebruiken voor hun eigen onderzoek. En studenten verdienen een extra zakcentje waarvoor ze niet naast hun studie hoeven te werken, zodat ze wat meer tijd overhouden om te genieten van het studentenleven. En veel belangrijker natuurlijk, ze blijven tijdens hun studie niet steken in het vergaren van slechts 20% van de in totaal waardevolle kennis.
Erik Gerritsen,
egerritsen@bda.amsterdam.nl