Leve de leraar en manager

Kruimelpad

Pad tot huidige pagina :
 
dossiers.jpg (33 Kb)

Leve de leraar en manager

12 januari 2009

Na de hoogtij dagen van de verzorgingsstaat en optimisme over de maakbaarheid van de samenleving sloeg vanaf de jaren tachtig het markt denken toe ten aanzien van het managen van de overheid. Dit alles onder de noemer van New Public Management. De overheid was niet langer de oplossing maar het probleem. Running government like a business, was het adagium. Meer bedrijfsmatig handelen heeft zeker de nodige verbeteringen opgeleverd, ook in het onderwijs.

Maar de slinger is te ver doorgeslagen onder invloed van marktideologie, inhoudsloze eenzijdige bezuinigingsdrift en vooral de miskenning van de eigen aard van het overheidswerk. De productie van collectieve goederen zoals onderwijs is niet te vergelijken met de productie van waspoeder. De gevolgen van dit doorgeslagen bedrijfsmatig denken staan helder beschreven in het rapport van de commissie Dijselbloem. Ironisch genoeg heeft de eenzijdige nadruk op bedrijfsmatig werken geleid tot een overdaad aan bureaucratie en onderpresteren.

De laatste jaren is het mode om te ageren tegen de ontzieling van de professionals. De managers met hun overhead zijn de bron van alle kwaad. Dat het onderwijs gekenmerkt wordt door bureaucratisme staat buiten kijf. Maar de oplossing ligt niet bij het terugdringen van de rol van het management en de overhead. De oplossing ligt zeker deels bij het vergroten van de ruimte voor de leraren om hun vak weer te kunnen uitoefenen. Maar tegelijkertijd zullen deze professionals op kwaliteit en resultaat moeten worden aangestuurd. Bij meer vertrouwen in en ruimte voor het vakmanschap van leraren past het geven van rekenschap op basis van resultaatafspraken. Niet op basis van eenzijdige tot pervers gedrag leidende kwantitatieve prestatieafspraken. Maar ook niet op basis van de blauwe ogen van de leraar.

Er zijn wel degelijk slimme manieren van prestatiemeting mogelijk zonder dat die leiden tot pervers gedrag en bureaucratisme. Dan moeten we inderdaad afscheid nemen van die bedrijfsmatige technieken die geen rekening houden met de aard van het overheidswerk. Maar geheel afzien van prestatiemeting betekent dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Met een slimme mix van kwantitatieve indicatoren (zoals cito scores, schoolverzuim, leerling tevredenheid, percentage geslaagde leerlingen met een zwaarder accent op landelijk uniforme examens)  en kwalitatieve meetmethoden (zoals collegiale toetsing en evaluatieonderzoek) passend bij de aard van het onderwijswerk is dat wel degelijk mogelijk en ook hard nodig. Het resultaat moet immers centraal staan. De definitie van dat resultaat kan niet worden overgelaten aan het subjectieve oordeel van elke individuele docent afzonderlijk.

Daarom zal ook moeten worden geïnvesteerd in goed en inspirerend management, dat niet kan worden overgelaten aan omhoog gevallen leraren die de chaos op scholen alleen maar vergroten. Ook goed management is een vak. En één van de kenmerken van goed onderwijsmanagement is diepgaande affiniteit met het onderwijsvak. Maar die affiniteit is niet alleen voorbehouden aan docenten. Al is een oud leraar met managementkwaliteiten natuurlijk de ideale schooldirecteur. Goed onderwijs management is inderdaad veel meer dan alleen goed bedrijfsmatig management.  Zonder goede ondersteuning door excellente overhead kunnen goede individuele leraren niet tot een gezamenlijke topprestatie komen ten dienste van hun leerlingen. Laten we dus ophouden met “managementbashing” en leraarverheerlijking en investeren in goed onderwijs management dat op inspirerende wijze docenten faciliteert om hun vak optimaal uit te oefenen in ruil voor het afleggen van verantwoording door docenten over geleverde onderwijsprestaties. Daar hebben onze kinderen recht op.

Erik Gerritsen, kennisambassadeur van de Gemeente Amsterdam.