Hoofdnavigatie
- Home
- Wie is Erik Gerritsen
- Slimmer werken
- Best practices
- Documenten
- Forum
- Blogs van Erik
- Gast Blogs
- Nieuwsbrief
- Links
- Contact
In ‘De slimme gemeente’ pleit Erik Gerritsen ervoor het oplossen van het maatschappelijk probleem centraal te stellen boven de domeinbelangen van alle bij de oplossing betrokken instituties of naar Tony Blair: ‘organizing government around problems instead of problems around government’. Deze visie werkt Erik uit in een viertal concrete principes van slimmer werken, waarvan hij over het thema ‘burger aan het roer’, de burger als partner in beleid en coproducent in de uitvoering, op woensdag 17 juni jl. een lezing heeft gehouden. (Klik hier voor de speakernotes)
Naar aanleiding van deze bijeenkomst willen we deze blog benutten om een pleidooi te houden voor een focus welke problemen echt door de overheid opgepakt moeten worden en hoe bestuurlijk om te gaan met het concept ‘burger aan het roer’. Immers, wanneer het concept ‘burger aan het roer’ effectief wordt toegepast, leidt dit tot een scherpere focus op de problemen waar de overheid echt voor staat met mogelijk een groter begrip van de burger voor de opgaven van de overheid (gemeente) en wellicht zelfs toename van het vertrouwen in de overheid.
Elders op deze site wordt verwezen naar resultaten van de Kafka-brigade. Ons inziens zeer waardevol, maar naast het ‘hoe’ van bureaucratiebestrijding en het verbeteren van dienstverlening, willen wij een lans breken om goed na te denken over het ‘wat’ (welke problemen als overheid prioriteit te geven).
Wanneer loont het om te investeren in innovatie, dienstverlening en procesverbeteringen? Zijn de problemen de wereld uit wanneer ieder gemeente-ambtenaar een eigen “Kafkaknop” heeft, zoals iedere UWV-medewerker en deze tijdig indrukt wanneer hij een burger ziet verdrinken in een teveel aan bureaucratie?[1] Het helpt ongetwijfeld om de ‘burger als klant’ goed op zijn wenken te bedienen, maar onderzoek wijst uit dat burgers redelijk tevreden zijn over dienstverlening door hun gemeente, terwijl de waardering voor hun bestuur hier ver bij achterblijft (Klik hier voor een onderzoek over de tevredeneheid van bugers over de gemeentelijke dienstverlening).
In het verlengde van het artikel ‘De klant, de burger, de inwoner en zijn verlangens’ uit VGS Nieuws nummer 3 2009 (Klik hier voor het artikel)
een pleidooi voor een paradigmashift. Er is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in klantgerichtheid en kwaliteit van dienstverlening. Natuurlijk is klantgerichtheid belangrijk en moet deze aan bepaalde basisnormen voldoen, maar vindt de inwoner andere gemeentelijke prestaties niet veel belangrijker?
Ook in de directe relatie burger en bestuur is de laatste jaren eveneens geïnvesteerd. Zo moest bijvoorbeeld dualisering leiden tot een levendiger politiek bedrijf, dat vervolgens door het openstellen van het stadhuis en internet-tv dichter bij de burger gebracht wordt. Net als bij dienstverlening beschouwt de overheid de burger kennelijk als een consument, de consument van politiek spektakel.
Tot nu toe lijkt het echter weinig te helpen, de waardering voor het bestuur blijft laag evenals het oordeel van de burger over de maatschappij, in de woorden van Paul Schnabel: ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’.
Bestuurders lijken (van de weeromstuit?) ontevreden dat hun klantgerichte benadering van de burger niet bijdraagt aan een beter oordeel van de burger over bestuur en maatschappij en roepen de laatste tijd op tot meer burgerschap, want wanneer de overheid zijn grenzen bereikt heeft, moet de sleutel wel bij de burger liggen. Onderzoek wijst echter uit dat de inzet van burgers voor de samenleving de afgelopen twintig jaar gelijk is gebleven, zij het dat deze energie andere wegen zoekt dan via het klassieke verenigingsleven. De vraag is dus legitiem of van de burger wel meer burgerschap gevraagd kan worden. Immers de burger werkt – de arbeidsparticipatie is groter dan ooit -, is actief op de school van zijn kinderen, doet aan mantelzorg en voert (maatschappelijke) discussies op twitter en hyves. Daarnaast is het de vraag of een oproep voor meer burgerschap spontaan gehoor zal vinden. Immers, deze oproep komt van politici waarin het vertrouwen toch al gering is, kortom weinig aanleiding om ervan uit te gaan dat een dergelijke oproep spontaan zal leiden tot verandering. Tussen burger en bestuur ligt een meer vol onbegrip en wederzijds gebrek aan vertrouwen. In de traditie van deze website luidt de vraag dan ook: is er geen mogelijkheid hier slimmer mee om te gaan?
Allereerst enige woorden ter relativering. Gemeenten gaan de harten van hun inwoners niet winnen met excelleren in dienstverlening, want de burger associeert de gemeente niet met loketten, maar met de zorg voor de directe leefomgeving. In de directe leefomgeving verkeert hij immers dagelijks, de keren dat de burger het gemeentehuis fysiek of virtueel bezoekt voor dienstverlening, zoals een paspoort, rijbewijs of vergunning, zijn veel beperkter. Op zo’n moment moet hij natuurlijk geen al te nare herinneringen aan het gemeentehuis overhouden, maar de kans dat hij aan een dergelijk bezoek een dusdanig warm gevoel overhoudt dat hij dit projecteert op het gemeentebestuur is niet zo groot. De overheid en de burger moeten elkaar dus vinden in de fysieke en sociale leefomgeving. Op dit terrein bestaan veel hardnekkige problemen waar de overheid in het algemeen en gemeenten in het bijzonder voor staan en die een negatieve invloed hebben op het welbevinden van Nederlanders. De opgave elkaar als burger en bestuur te vinden lijkt hiermee niet eenvoudig.
Het is in deze context dat de Vereniging van Gemeentesecretarissen en de Vereniging voor Bestuurskunde vorig jaar in hun publicatie ‘Veerkracht en democratie’ durfden te pleiten voor het brengen van wederkerigheid in de relatie burger en overheid als stap om de relatie tussen burger en bestuur te verbeteren. (Klik hier voor de publicatie) Een bijzondere insteek, de overheid schiet al te kort in de ogen van de burger en de enige boodschap die de overheid lijkt te kunnen geven is: los het zelf maar op! Dat lijkt niet het recept voor een betere relatie.
Toch schuilt in wederkerigheid in ieder geval een deel van de oplossing voor meer begrip tussen burger en bestuur. Het pleidooi van de VGS en VB begint namelijk met de constatering dat veel vernieuwing in de fysieke en sociale leefomgeving plaatsvindt buiten de overheid. De sleutel voor een succesvolle beweging naar wederkerigheid of grotere burgerparticipatie is dan ook niet zozeer dat burgers in de meest letterlijke zin werk overnemen van de overheid, maar dat mensen en organisaties ruimte krijgen om zaken in het publieke domein zelf te regelen. Dus niet overnemen als overheid, maar burgers ondersteunen bij het zelf oplossen van hun problemen. En niet alleen dat, maar als overheid het ook laten om met grote regelmaat in het private domein in te grijpen. Er lijkt een tendens te zijn om het minste of geringste probleem politiek en des overheids te maken (kamervragen, ter verantwoording roepen van bestuurders) met als reflex alle oplossingen voor problemen primair te gieten in uniforme landsdekkende regels en overheidsbemoeienis (Klik hier voor de speech van Winsemius die op het laatste VNG congres prachtige voorbeelden gepresenteerd van constructen die de overheid heeft bedacht en die meer kapot maken dan helen) De uitdaging is om die reflex eruit te krijgen.
Het mes snijdt aan meerdere kanten: wanneer de overheid de ruimte geeft aan burgers om zelf afwegingen te maken, ontstaat begrip voor de complexiteit van een belangenafweging tussen conflicterende waarden. Komen (groepen) burgers ergens niet uit dan kan de politiek altijd nog een beslissing nemen. Daarnaast kunnen veel beslissingen prima door burgers zelf genomen worden, hetgeen ontlastend werkt voor het bestuur. Een positief neveneffect hiervan is dat directe burgerinbreng een besluitvormingsproces depolitiseert, hetgeen een pre is in situaties waarin andere dan ideologische factoren relevant zijn voor een goede afweging, zoals bijvoorbeeld kennis van lokale verkeersstromen en woonbehoeften van bewoners. Immers in de woorden van oud-burgemeester La Guardia van New York: er is geen Democratische of Republikeinse manier om de straten schoon te houden. Tenslotte niet onbelangrijk: ervaring met burgerparticipatie leert dat burgers niet gaan voor de gouden kranen, maar voor pragmatische oplossingen om schaars gemeenschapsgeld goed te besteden (Klik hier voor voorbeelden van het verslag van de studiedag ‘hoe vindt u gehoor buiten het stadkantoor?'). Meer ruimte voor participatie en zelfsturing hoeft daarmee niet kostenverhogend te zijn. Sterker nog: het mager zesje voor de kwaliteit van een oplossing die helemaal zelf is uitgedacht en gerealiseerd, schept meer voldoening dan de dikke acht van een oplossing die is opgelegd.
In Nederland ziet de burger zich echter nog nauwelijks als co-producent in relatie tot de overheid. Dat is binnen de Nederlandse traditie van klassieke inspraak niet verwonderlijk. Erik Gerritsen stelt dat concepten waar burgers aan het roer komen in Nederland nog onvoldoende ambitieus toegepast worden in vergelijking met de Verenigde Staten en ontwikkelingslanden als Brazilië. Omdat de problemen in deze landen groter zijn, bestaat er wellicht meer ruimte voor experiment in de relatie burger en bestuur.
Meer ruimte voor burgers vereist echter wel lef van bestuurders. Een gewetensvraag voor de lezer: over enkele maanden zijn de gemeenteraadsverkiezingen, die uitmonden in een coalitie-akkoord met mooie beloftes. In hoeverre bent u zelf geneigd op sommige terreinen geen ambities en plannen te formuleren, anders dan dat gedragen initiatieven uit de maatschappij uw onvoorwaardelijke steun krijgen (u mag er bij denken dat deze initiatieven passen binnen de wet- en regelgeving, danwel dat de lokale regelgeving in beginsel aan de initiatieven aanpasbaar is)?
Er zijn natuurlijk ook risico’s verbonden aan het meer ruimte geven aan de burger:
- wanneer burgers zelf zaken onderling oplossen zullen zij dit vooral (terecht) op eigen conto schrijven en niet toeschrijven aan de overheid die deze ruimte bood;
- wanneer burgers er niet uitkomen ligt de belangenafweging alsnog op het bordje van de overheid en is meestal sprake van een situatie waarin het nemen van een besluit meer beladen zal zijn;
- niet alles is op deze wijze bij de burger neer te leggen: er bestaan zoals hiervoor ook al aangegeven grenzen aan het absorptievermogen van burgers en de bereidheid tot participeren. Ook is niet elk probleem bij de burger neer te leggen: bij sterk nimby-achtige situaties kan een poging het probleem bij de burger neer te leggen leiden tot een kater aan twee zijden en dus afgenomen vertrouwen.
Niettemin wint de overheid aan kracht wanneer deze meer afstand kan nemen in situaties waarin andere factoren dan ideologische afwegingen de meest relevante beslissingsvariabelen zijn.
Zoals tijdens de eerder vermelde studiedag over dit onderwerp geconcludeerd is het daarbij wel belangrijk enkele zaken in het oog te houden. Als hoeder van de democratische rechtsstaat is er voor de overheid natuurlijk een taak om toe te zien dat deze alternatieve vormen van interactie goed verlopen. Gemeenteraden zouden daarom kaders op moeten stellen voor een kwalitatieve bewaking van participatieprocessen. Daarnaast moet de overheid herkenbaar en betrouwbaar zijn: participatie betekent een goed verwachtingenmanagement richting participerende burgers en organisaties, immers bij bestuur en overheid zelf moet het vermogen aanwezig zijn om los te laten. Uiteraard neemt het bestuur de verantwoordelijkheid om een knoop door te hakken wanneer het echt niet anders kan, maar in beginsel geeft het politiek bestuur zoveel mogelijk ruimte aan de betrokken burger. Doet het bestuur dit niet en intervenieert het “onnodig” is dit schadelijk voor het vertrouwen en is inspraak schijninspraak geweest.
Lukt het echter bovenstaande te realiseren dan kan het bestuur zich concentreren op die problemen waar ook echt sprake is van ideologische meningsverschillen over de mogelijke koers of waar nimby-achtige verschijnselen volledig uit handen geven van beslissingen niet reëel mogelijk maken.
Wordt de overheid hierdoor slimmer? Misschien zou wijzer een beter woord zijn. Het getuigt immers van wijsheid wanneer je als overheid beslissingen over laat aan anderen in het vertrouwen dat deze anderen daar goed uit kunnen komen en vanuit het zelfinzicht dat deze anderen wellicht een beter zicht hebben op de echt relevante factoren om te komen tot goede oplossingen.
Utrecht/Wijchen augustus 2009
Petra Habets en Jos van der Knaap.
[1] Eindrapport Kafkabrigade